Ik schreef het woord op. Eenzaam.
Het was laat. Ik zat alleen achter mijn bureau, aan een stuk over hoe Doyo was geworden wat het is. De jaren, het team, de vlieguren die niemand ziet. En ergens in die tekst schreef ik het op. Eenzaam. Omdat het klopte.
Daarna haalde ik het er weer uit. Omdat ik voelde dat er geen ruimte voor was, dat het uitgelegd zou moeten worden.
Er zijn genoeg mensen, daar zit het hem niet in. Er willen er ook genoeg helpen.
Het doen is niet één beslissing. Het is weten, vanuit de uitvoering, of een idee ook echt grond heeft, of dat het mooi klinkt in een gesprek maar nergens op slaat.
Een jaar of vijf geleden kwam een externe adviseur met een idee. Hij was er enthousiast over, ik was het niet. Hij had het helemaal uitgedacht: een doelgroep, een nieuwe website, onder een andere naam. Los van Doyo, want dit moest op zichzelf staan.
Ik dacht: jij hebt het idee. Ik moet het doen.
Hij had ook een paginagrote advertentie in een landelijk dagblad. Die mocht ik hebben. Het was 14 december. De deadline was 31 december. Ik voelde me verplicht het serieus te overwegen. Iemand geeft je iets. Dan ga je zitten.
Ik ging ook zitten. Het kwam niet uit mijn pen. Elk bezwaar dat ik had, had hij al een antwoord op. Alleen niet hierop: ik wilde niet iets gaan roepen voordat het stond, en ik wilde Doyo heel houden.
De deadline ging voorbij.
Volgens hem is dat de grootste fout die ik heb gemaakt.
Een tijd later kreeg ik een bericht van hem. Kijk, nu is een ander het aan het doen.
Ik schreef deze tekst eerst op LinkedIn. Iemand reageerde: “Er is geen ondernemer die dat bij tijd en wijlen niet heeft. Ik dus ook.”
Dat herinnerde me eraan om juist wel te blijven schrijven, ook hierover.