Uit mijn ooghoeken zie ik hem. Hij spat op uit het water, groot en donker. Als ik mijn gezicht naar hem toedraai is hij alweer verdwenen. De vijver staat nu vol met kroos. Maar een paar maanden geleden heeft iemand hem vanuit onze tuin zien zwemmen. Zonder kroos, van bovenaf. Een rug van 20 centimeter breed. En wie weet hoe lang hij is.
‘Nessy’ noem ik hem. Je weet wel, naar het monster van Loch Ness.
Zondagavond: “Boris, ga je mee Nessy spotten?” En zo zitten we aan de oeverkant in het gras. Te wachten tot hij weer bovenkomt om een mugje of vliegje te verorberen. In een uur tijd hebben we drie keer een vis boven horen komen. Maar je ziet er niks van. Door het kroos, de snelheid. En het is ook niet alsof hij als Free Willy in slow motion boven het water uit springt.
We zitten hier, bij de ondergaande zon. In stilte. Soms met een lief glimlachje naar elkaar. Vrij van de wereld. Hij is tien jaar. Zo groot, maar toch nog zo klein. Met meer geduld dan zijn moeder.
En dan komen ze langs. Vlak over het water heen, en dan weer terug. Over ons heen. Ze zijn misschien wel met acht. Vliegensvlugge vleermuisjes. Zonder pauze maken ze er een show van.
Als je ervoor gaat zitten, gewoon in stilte, dan zie je nooit niets. Je ziet misschien iets anders dan wat je van tevoren had verwacht, dat wel.