De vijver ligt er altijd. Ook als het waait.
Ik sta soms met een groep aan de oever. We kijken. Er is altijd van alles te zien – eenden die ergens naartoe moeten, zwanen die langsdrijven, wind die rimpels trekt over het oppervlak. Soms is het druk op het water. Soms lijkt het alsof er geen stilte is.
Maar op de bodem is het altijd rustig. Hoe druk het ook boven water is, hoe hard de wind ook waait – diep onder dat alles beweegt niets mee. Dat is niet iets wat je hoeft te maken. Het is er gewoon.
Ik vertel ze dat. En dan zeg ik: zo werkt het in jou ook.
Al het drukke van een dag – wat er van je gevraagd wordt, de indrukken, de gedachten – dat is het oppervlak. Maar ergens diep in je, net boven je navel, is een plek die niet meebeweegt. Die er altijd is. Je hara. Je krachtbron, je rustbron.
Je kunt daar naartoe. Niet alleen hier, niet alleen als er tijd is. Ook op een gewone dinsdag, even afgezonderd, ogen dicht, adem omlaag. Twee minuten is genoeg om terug te komen bij die plek.
Na dit verhaal sluiten de deelnemers hun ogen. Ze zitten met hun gezicht naar het water. De geluiden van de natuur komen naar binnen. En ze oefenen precies dit. Afdalen naar die stille plek, terwijl het leven om hen heen gewoon doorgaat.
Dat is geen techniek. Het is herkenning.