De school belde niet omdat het één keer misging. Ze belden omdat het te vaak misging.
We reden er vorige week naartoe. Basisschool in Dordrecht. Een team dat al jaren doet wat het kan – en toch steeds vaker met lege handen staat. Niet bij de kinderen. Bij de ouders.
We oefenden situaties die het team kent. Een vader die zijn stem verheft bij de deur. Een moeder die niet weggaat. Iemand die dichterbij komt dan comfortabel is. Geen uitzonderingen, een gewone dinsdag.
Het team deed het goed. Beter dan ze zelf dachten.
Maar wat deze dag anders maakte, was niet het oefenen zelf. Het was wat erna kwam.
De school had één specifieke wens: aandacht voor nazorg. Niet het incident, maar wat het met je doet als je naar huis rijdt. Hoe je voorkomt dat wat er op het schoolplein gebeurde, ’s avonds nog in je lijf zit. Hoe je als team voor elkaar zorgt na iets wat te groot voelde voor één paar schouders.
We werkten met een paar concrete stappen – psychofysiek, niet ingewikkeld. Eerst individueel, daarna samen. We zagen mensen ontspannen die een uur eerder nog strak stonden.
Eén leraar zei achteraf: “Ik wist niet dat ik dat zelf kon doen.”
Dat is precies het punt. Ze kunnen het. Ze hadden het alleen nog niet geoefend.