Ik weet niet precies wanneer het begon. Misschien was het er altijd al. Als kind keek ik niet alleen naar mensen, maar naar wat er tussen hen bewoog. Waar anderen spanning opmerkten wanneer iemand een stem verhief of een blik veranderde, merkte ik het eerder, in dat korte moment waarin de ruimte nét iets anders werd. Ik voelde wanneer een gesprek een andere richting zou nemen voordat iemand dat doorhad. Ik hoorde wat iemand bedoelde, zelfs wanneer de woorden iets anders zeiden. Niet omdat ik dacht dat ik iets moest begrijpen, maar omdat mijn systeem het eenvoudigweg registreerde.
Later, toen ik ouder werd, werd dat zichtbaarder. Ik stond op mijn zestiende achter een bar, tussen rumoer, cappuccino’s, glazenrekken en gesprekken die te intiem waren voor de plek waar ze werden gevoerd. Mensen vertelden wat ze thuis niet konden zeggen. Ze vroegen wat nooit hardop gesteld mocht worden. Ze wisten vaak niet waarom ze mij dingen vertelden. Ik wist het ook niet. Maar ik wist wel dat ik iets moest terugzeggen vanuit de onderlaag waar hun verhaal eigenlijk vandaan kwam, ook al bleef die laag onuitgesproken.
Pas veel later had ik er een naam voor. Maar het voelen zelf — dat was er altijd al.
Mijn lichaam ving de onderstroom op. En mensen voelden dat. Niet omdat ik iets deed, maar omdat ik niets forceerde.
Iemand noemde het interoceptief leiderschap. Ik kende het woord niet, maar herkende het direct. Het is precies wat ik zie bij de mensen om me heen in Doyo, in hun manier van opletten, van aanwezig zijn. Mensen die niet harder gaan praten om gehoord te worden. Mensen die spanning kunnen dragen zonder dat spanning een probleem wordt.
Dat is wat ik leiders gun: dat ze zichzelf mogen vertrouwen. Dat zichzelf zijn al genoeg is. Sterker nog: dat is precies het hele punt.